De wereld in de tijd van Nicolaas

 

 

Rond het jaar 300, de tijd waarin Sint Nicolaas leefde, zag de kaart van Europa er anders uit dan nu: de Middellandse Zee was het middelpunt van het grote Romeinse rijk waar ook de tegenwoordige landen Marokko, Algerije, Tunesië, Egypte, Israël, Libanon en Turkije bij hoorden. Rome was de hoofdstad maar in een tijd zonder snel transport en communicatie was het nodig om in die verafgelegen delen bestuurders aan te stellen die namens de centrale regering optraden, zeker in tijden van onrust. Die onrust was er zeker in de tijd van Nicolaas toen er een beweging in gang begon te komen waarbij allerlei volkeren en stammen uit het noorden en oosten wegens een lange periode van misoogsten en hongersnood op de vlucht waren gegaan en toegang tot het rijk zochten. Dat ging niet altijd goedschiks – aan de grenzen werd gevochten en de keizer in Rome raakte het overzicht kwijt. Daarom werd er een tweede keizer benoemd en gelijk nog twee hulpkeizers zodat het bestuur verdeeld kon worden.

 

Het grote rijk was rond het jaar nul onder keizer Augustus op het toppunt van zijn macht en rijkdom geweest – natuurlijk sprak men toen niet van het jaar nul als geboortejaar van de pas later beroemd geworden Jezus Christus: daar had men toen nog geen idee van. Men rekende in bestuursjaren van machthebbers zoals ‘in het derde jaar van keizer zus en zo’. Als ze al met jaartallen werkten, was dat gerekend vanaf de stichting van de stad Rome die op 753 v. Chr. kan worden gesteld: voor de Romeinen was dat het jaar 1 (men kende de nul toen nog niet). Pas ergens in de 8e eeuw kwam men op het idee om het geboortejaar van Christus als begin van de jaartelling te hanteren omdat het Romeinse rijk in het westen toen in stukken verdeeld was tussen alle binnengestroomde volkeren die eigen machthebbers hadden wat de ouderwetse tijdrekening te ingewikkeld maakte.

Die eerste eeuwen, tijdens de regering van keizer Augustus, was het nog rustig in het rijk en heerste er welvaart omdat de sterke regering vrije handel en scheepvaart mogelijk maakte. Er waren scholen, de gezondheidszorg stond op behoorlijk peil, ook omdat er een goed georganiseerde structuur van waterleidingen, riolering en vuilverwerking bestond – in feite heeft het na de ondergang van het rijk nog tot ver in de 19e eeuw geduurd voordat in Europa weer een zelfde beschavingspeil zou worden bereikt. Er waren flatgebouwen in de grote steden, theaters, wegen, een goed werkend bestuur en eerlijke rechtspraak, met daarnaast een voor die tijd behoorlijke mate van democratie en vrije verkiezingen.

 

In de tijd waarin Nicolaas geboren werd (rond 270) was die situatie echter veranderd: het keizerschap was niet langer een kwestie van bestuurlijke kennis en ervaring maar een functie waar met alle middelen (o.a. moord en vergif) om gevochten werd. Soms ook zetten soldaten met geweld hun generaal op de troon – logisch dat het aanzien van het keizerschap daalde en ook andere bestuurders voor de makkelijkste weg kozen om aan de macht te blijven. Er waren geen eerlijke verkiezingen meer: wie gekozen wilde worden verzamelde stemmen via uitdelen van brood en andere eerste levensbehoeften aan de armen. Ook de keizer zelf probeerde zich populair te maken door het organiseren van feesten en wedstrijden in de vele arena’s. Wilde dieren moesten daar vechten tegen elkaar of tegen gladiatoren die (net als bij ons beroemde voetballers) grote volkshelden konden worden. De voedseluitdelingen en spelen waren in feite alleen bedoeld om het volk rustig te houden, zodat de keizer, zijn familie en andere machthebbers ongestoord hun gang konden gaan.

 

Zo verarmde het vroeger zo rijke westelijke deel van het rijk: werkloze feestvierders en luie bestuurders maakten de dienst uit, akkers en bedrijven raakten hun werkers kwijt omdat de jongeren liever het leger als beroep kozen, waar roem, eer en vooral buit te behalen waren. Het ging zo langzaam dat niemand het echt in de gaten had: volkomen geschifte keizers als Nero en Caracalla zetten de toon bij die neergang van de beschaving – de eerste dacht dat hij een beroemde zanger was en stak Rome in brand als decor bij één van zijn optredens, de tweede benoemde zijn paard tot consul. Het volk juichte bij al dat keizerlijk plezier en at zich dik aan chips op de bankjes in de arena. Intussen werd in het oostelijk deel van het rijk nog steeds hard gewerkt: daar kwam alles vandaan wat men in Rome nodig had om rustig door te kunnen feesten, zodat men in het begin niet eens merkte dat er iets mis was. In het oosten bloeiden handel en industrie als nooit tevoren; er werd druk gebouwd, gewerkt, geïnvesteerd en (niet onbelangrijk) gestudeerd en geleerd zodat technieken verbeterd en uitvindingen gedaan konden worden.

 

In die wereld leefde ‘onze’ Nicolaas. Keizer Constantijn (die later de Grote zou worden genoemd omdat hij zijn taak nog ouderwets serieus nam) besloot om daar in het oosten een tweede hoofdstad van het rijk te vestigen aan de Bosporus, schakel tussen de Middellandse en de Zwarte Zee. Hij koos daarvoor de stad Byzantium en doopte haar om tot Constantinopel (=Constantijnstad). Omdat Constantijn tot het christendom bekeerd was, kreeg de nieuwbouw in zijn stad een christelijk karakter en werden er prachtige kerken en paleizen gebouwd; het christendom werd een tijdje later zelfs tot staatsgodsdienst verklaard voor het hele rijk. Toen meer dan duizend jaar later (in 1453) de stad door de Turken werd veroverd, werden al die mooie gebouwen weer naar moslimsmaak omgebouwd. Toen kreeg de stad ook haar derde naam: na Byzantium en Constantinopel heet zij tot op de dag van vandaag Istanbul.

 

Terwijl het westen steeds meer verarmde, groeide Constantinopel in de 4e eeuw uit tot de grootste en belangrijkste stad van het rijk. De macht van de keizer in Rome liep terug omdat er minder geld naar het westen kwam terwijl de bevolking groeide door een voortdurende mensenstroom uit de Germaanse gebieden in het noorden die niet meer tegen te houden was. Er moet een ingrijpende en langdurige klimaatverandering zijn geweest die jaar op jaar oogsten deed mislukken en mensen naar betere oorden liet vertrekken – gedurende tweehonderd jaar zwierven er volkeren van noord naar zuid, van oost naar west, die in Constantinopel nog tegengehouden konden worden maar daarna via de Povlakte zo naar Rome konden doorlopen. Germaanse stammen (Ostrogothen, Visigothen, Franken, Vandalen, Lombarden) vonden op die manier een plek binnen het Romeinse rijk en bouwden er een nieuw leven op. Sommigen trokken verder na een kort verblijf, anderen bleven er voorgoed hangen en mengden zich op den duur met de oorspronkelijke bevolking.

 

In het jaar 476 werd de laatste Romeinse keizer in Rome door een Germaans stamhoofd afgezet, waarmee het Romeinse rijk in het westen officieel als geëindigd wordt beschouwd; eigenlijk was het alleen maar een formaliteit waar verder in de wereld niemand meer van opkeek: in Constantinopel haalde men er de schouders over op. Die laatste keizer (zijn naam Augustulus, Augustusje, zegt al genoeg) had toch al niets meer te vertellen gehad en de Germaanse Ostrogothen namen niet eens de moeite meer om zelf een keizer uit te roepen: hun stamhoofd had allang een veel machtiger positie binnen Rome. Voor West Europa beginnen daarmee de Middeleeuwen; in het oosten zou het Romeinse rijk nog tot de Turkse verovering blijven bestaan. Zonder dat westen werd het vanaf toen ook wel het Byzantijnse rijk genoemd.

Tweehonderd jaar later, aan het eind van de 7e eeuw, werd ook dit oostelijke deel in zijn bestaan bedreigd – dit keer niet door Germanen maar door het intussen islamitisch geworden oosten en zuiden (het tegenwoordige Midden Oosten en Noord Afrika). Zo verloor het Byzantijnse rijk geleidelijk grote stukken van de Balkan, zoals Griekenland dat zich pas in de 19e eeuw kon bevrijden.

 

Al die gebeurtenissen hebben invloed gehad op het verhaal van Sint Nicolaas zoals wij dat nu kennen. Af en toe zullen ze er in de volgende hoofdstukken bijgehaald moeten worden om de draad niet kwijt te raken – Europa mag dan een klein werelddeel zijn in vergelijking met Amerika, Azië of Afrika, maar de onderlinge verbondenheid van Europese landen en culturen is groot, groter dan al die mensen denken die nu zo tegen de Europese Unie zijn.

Voorlopig is het genoeg om dit achtergrondverhaal van de Europese wereld in Nicolaas’ tijd in het hoofd te hebben, anders is het moeilijk te begrijpen hoe hij van rijke koopmanszoon bisschop kon worden, en dat nog wel in Turkije dat in onze tijd een islamitisch land is. Voor zijn verhaal gaan we in de volgende hoofdstukken eerst terug naar de tijd waarin hij opgroeide in die glorietijd van het Oost-Romeinse rijk rond het jaar 300 van onze jaartelling. Maar daarmee is het verhaal niet afgelopen: het grootste deel van zijn geschiedenis speelt zich namelijk na zijn dood af, en nog eens extra na zijn heiligverklaring.

Het verhaal loopt door tot in onze tijd met het Sinterklaasfeest in ons land (waarom alleen daar?) en de samensmelting van zijn feest met heel andere feesten, vooral in Amerika, Engeland en de Scandinavische landen, waarbij Nicolaas zelfs op één lijn wordt gesteld met een merkwaardige clownsfiguur die ook nog eens zijn naam kreeg: Santa Claus (Santa = Sint, het komt van het Latijnse sanctus dat heilig betekent). En wat heeft een keurige christelijke bisschop te zoeken op het dak, nog wel op een wit paard, en wat moeten zwarte knechten daarbij? Over al die merkwaardige zaken – waar hij zelf in zijn stoutste dromen niet aan had kunnen denken – zullen we het in de volgende hoofdstukken hebben.

 

                                                                                                         * * *